Een woelige nacht, amper geslapen.
De voorbije tien dagen waren zonder twijfel positief. Het gesprek met Charline verliep vlot en zonder tranen. Maar toch verloopt de nacht na therapie nog steeds moeilijk. Mijn lijf verwerkt wat ik overdag probeer los te laten.
Mijn diepste zijn draagt al altijd de wijsheid dat mijn lijf niet kon voelen. Of wat ik niet toeliet om te voelen? Van wat ik zelf nog maar net begin te voelen, toe te laten en te begrijpen. Er is nog zoveel in mij dat ruimte vraagt, liefde en zachtheid. En dat vraagt tijd, heel veel tijd. Het vraagt om mijn tempo.
Gisteravond had ik de kracht om echt toe te laten. Een puur, diep gevoel in elke vezel van mijn lichaam voelbaar. Een zachte fluistering vanuit mijn kleine bekken. Ik voelde… innerlijke vrede met mezelf.
Het voorbije anderhalf jaar ben ik langzaam uit een diep dal geklommen en begon ik aan de beklimming van mijn eigen berg. Klauteren, struikelen, meters naar beneden tuimelen, uitgeput op adem komen en te leren toch even te genieten van het uitzicht.
Het was een weg van pijn, vele tranen en heling. Van oude etterende kwetsuren en zorg, van ‘ik geef op’ en ‘ik kan niet meer’. Maar ook van kracht ‘ik ben het waard om voor te vechten’!
En verdikke, ik heb het gedaan!!
Ik ben niet boven aan mijn berg, maar daar hoef ik nu ook nog niet te zijn. De top is niet langer mijn doel. Achter mij ligt een lang, grijs pad. Voor mij ligt een landschap vol kleur. Warm, zacht en vol leven. Ik kijk naar waar ik nu ben en ik voel me trots.
Voor het eerst kijk ik echt naar mezelf in de spiegel. Ik zie haar voor het eerst staan, de vrouw die ik vandaag ben. In de weerspiegeling van mijn ogen… het kleine meisje van vroeger, mijn innerlijk kind. Ik leg mijn handen op mijn onderbuik, mijn kleine bekken. En ik zeg luidop, krachtig, maar ook met trillende stem de woorden: “Ik ben zo trots op jou, meid.” Ik zie hoe mijn kleine ik haar tranen droogt. Hoe ze met blote voetjes door het lange gras huppelt. Een glimlach op haar gezichtje, sterretjes in haar ogen. Ze draait rond, lacht hardop en laat zich vallen in het gras. Ze ademt. Ze voelt. Ze leeft. Ze draagt haar littekens, een stille herinnering. Ze kent het donker, maar kiest voor kleur. Ze is kwetsbaar, maar zit vol kracht.
Ze is vuur, een oervlam die nooit dooft.
Ze leeft. Ze is vrij.
Haar vleugels zijn niet ongeschonden, maar sterker dan ooit om te vliegen.
