De dagen erna…Er zit een kracht in mij die ik niet altijd voel, maar ze is er

Ik zie bijna elk uur op de klok verschijnen. Ik beleef de nacht tussen slaap en waak. Tijdens het slapen beleef ik de tocht opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Ik stap van checkpoint naar checkpoint. Ik verplicht mezelf iets te eten en te drinken. Knabbel vijf kilometer later nog steeds op een stukje bruinbrood. Spreek mezelf moed in. Barst opnieuw in tranen uit. En dan word ik wakker. Dag drie na de Dodentocht. En ik kan nog altijd niet helemaal geloven dat wat ik beleefde echt was. Ik scrol door de foto’s op mijn gsm. Het bewijs dat ik het echt heb afgestapt. Tranen rollen nog steeds over mijn wangen. De energie is uit mijn lijf. Ik voel me leeg. Maar er is geen overweldigend gevoel van trots. Geen ‘amai, ik heb dat toch efkes gedaan’. En ik mis de gehoopte euforie. Het gevoel waar ik reikhalzend naar uitkeek na die 100 kilometer. En daar had ik zo op gehoopt. Ik wilde zo graag dat gevoel van trots voelen in elke vezel van mijn lijf. Ik wilde wakker worden met het besef: yes meid, je hebt het gedaan. Maar dat is niet wat ik nu voel. Wat ik voel, is een lijf in ontlading. Een lijf dat 100 kilometer lang tot ver over haar grenzen ging. Een lijf dat onderweg zo vaak een strijd leverde met mijn hoofd. Want de tocht verliep met hindernissen. Angst kwam met regelmaat van de klok mijn lijf en hoofd binnenwandelen. Maya schreeuwde in mijn oren:‘Waar ben je in godsnaam mee bezig?!’ Ik hield 100 kilometer lang mijn hartslag nauwlettend in het oog. Wanneer het getal op mijn horloge de limiet overschreed die ik mezelf had opgelegd, sloeg de paniek toe. Wat als dit niet goed komt? Wat als mijn hartslag te hoog blijft? Wat als mijn lichaam het begeeft? Angst vraagt zoveel energie. Energie die ik eigenlijk nodig had om te stappen. Om mijn lichaam vooruit te krijgen. Om mentaal fit te blijven. Niet om mijn hoofd rustig te houden. Ik heb dus niet alleen 100 kilometer met mijn benen gestapt. Ik heb vooral 100 kilometer lang ook geprobeerd mijn hoofd mee te krijgen. En dat besef kolt nu pas langzaam binnen.  Ik ben niet moe van het wandelen. Mijn spieren voelen niet meer stram. De blaren op mijn voeten drogen op. En mijn teennagel wordt steeds blauwer. Ik ben vooral moe van alles wat er onderweg in mij gebeurde. Ik voel nu vooral heel veel nood aan vertellen. Aan mezelf horen praten, zodat mijn eigen woorden langzaam kunnen doordringen. Ik wil het steeds opnieuw vertellen. Opnieuw de 100 km doorvoelen. Ik denk dat mijn hoofd en mijn lijf nog moeten begrijpen wat er eigenlijk gebeurd is. Mijn gedachten dwalen ook steeds opnieuw af naar zaterdag. Naar de vroege ochtend. Nog voor de vogels de dag inzingen. Om 3u30 gaat mijn telefoon. Mijn dochter, Marit; ‘Hey mama. We zitten alle drie samen in de zetel. We kunnen niet slapen. Hoe gaat het?’ In eerste instantie klink ik opgewekt. Tot ik de stem van mijn man hoor. En daar breekt er iets. ‘Chou, ik verlang zo om jou te zien. Ik wil je even voelen.’ Ik hoor hoe mijn stem stokt. De tranen beginnen te vloeien terwijl ik de woorden spreek. Ik meen elk woord. Ik hoef er niet over na te denken. Ik hoef niets sterk te houden. Ik toon mijn kwetsbaarheid zonder angst. Dit is één van de eerste keren waarop ik zonder schaamte de woorden spreek. Ik verlangde zo hard naar thuis. Naar mijn mensen. Waar ik eindelijk gewoon durf zeggen: ‘Ik ben bang.’ ‘Ik ben moe.’ ‘Ik weet niet of ik dit kan.’ En dat is wat deze 100 kilometer mij nog veel meer heeft geleerd dan ik nu al kan bevatten. Doorzetten betekent niet dat je nog harder moet zijn voor jezelf. Het betekent dat je durft voelen wat er is. Dat je durft huilen. Dat je durft zeggen dat het moeilijk is. Dat je hulp aanneemt. Dat je jezelf niet kleiner maakt omdat je bang bent. En dat gevoel van trots….. Misschien mag mijn lijf eerst gewoon landen? Mag de leegte er zijn. Mogen de tranen er zijn. Mag ik nog even niet begrijpen wat ik heb gedaan. Onder die vermoeidheid zit iets. Ik voel het, maar kan het nog niet helemaal aanraken. Maar ik weet dat het er zit. Ik heb mezelf onderweg meermaals tegengekomen. In mijn angst. In mijn tranen. In mijn twijfel. In mijn kwetsbaarheid. Er zit een kracht in mij die ik niet altijd voel, maar die kracht zit in mij. En dat trotse gevoel komt hopelijk later wel. Misschien morgen? Misschien volgende week? 

Nu hoef ik alleen maar thuis te komen, in mijn lijf.

Els

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven