Ik ruim mijn huis op omdat ik mijn hoofd niet kan opruimen

Ik heb deze week kasten leeggemaakt. Spullen weggedaan die ik jaren heb bewaard voor ooit komt het nog van pas. Rust in huis is rust in je hoofd, je leest het in boeken, op sociale media en quotes. Mijn huis is sowieso het grootste deel van de tijd opgeruimd en netjes, maar misschien ligt het in de details? Vindt mijn hoofd geen rust in de manier waarop ik mijn kasten indeel, in het stapeltje kledij dat nog naar de kringloop moet worden gebracht of …..  Ik sleur met meubels, verpot planten en verplaats decoratie precies of ik hiermee de gedachten in mijn hoofd van een andere kant zal kunnen bekijken. Ik poets de badkamertegels- en voegen in de hoop daarmee de hersenspinsels te kunnen wissen. Ik was de gordijnen, want misschien kan ik daardoor helderder zien? Ik sorteer de voorraadkast, stapel kledij volgens kleur, label dozen in de hoop dat het ook mijn gedachten kan rangschikken op belangrijkheid. Voor wie het vanop een afstandje bekijkt lijkt het uiterst productief, netjes en gedisciplineerd. Het lijkt alsof ik mijn leven onder controle heb. Maar misschien ben ik gewoon aan het vluchten?

Het is fysiek in beweging zijn en innerlijk vastzitten. Zolang ik bezig ben, hoef ik niet te voelen. Zolang ik sorteer, hoef ik niet stil te staan. Zolang ik poets, hoef ik niet te kijken naar wat er in mij woedt. Sinds het lezen van die zwarte letters op wit papier. Sinds het moment waarop die woorden een naam gaven aan wat ik al jaren met me meedraag. Wat nooit werd gezien, wat ik leerde zorgvuldig te verbergen. Wat me al jarenlang het gevoel gaf niet helemaal zoals de ander te zijn. Wat ik pas nu, na 45 jaar, durfde aan te kijken. Sindsdien woedt er iets in mijn lijf dat ik niet stil krijg. Het is net alsof ik eindelijk het licht aandeed in een kamer waarvan de schakelaar er al die jaren gewoon was, maar niemand me ooit vertelde dat wanneer je de schakelaar indrukt de ruimte wordt verlicht en ik niet langer in het halfduister mijn weg hoef te zoeken.

Alles wat de ander(en ik)altijd te gevoelig, te veel of te anders vond aan mezelf niet langer een obstakel, maar een positieve eigenschap mag zijn. En dat is vreemd. Want de erkenning voelt niet alleen als een opluchting, het voelt ook als rouw, verdriet en zelfs kwaadheid. Kwaad, om al die momenten waarop ik dacht dat ik mij gewoon wat harder moest aanpassen. Verdriet, om het kleine meisje dat haar best deed om niet op te vallen. Rouw om de jaren waarin ik mezelf corrigeerde, op de rem bleef staan en mij zorgvuldig verborg achter een van mijn vele maskers.

Nu het eindelijk een naam kreeg, wil ik het niet langer wegmoffelen en angstvallig corrigeren. Ik wil de maskers, bij elke outfit één, niet langer elke dag opzetten, zoals ik routinematig vanzelfsprekend proper ondergoed aantrek. Nu het een naam heeft, wil ik mezelf kunnen zijn. Het wat niet is geweest, het wat anders had kunnen zijn, doet pijn. Hoe was het geweest als ik mezelf wel had kunnen zijn? Ik heb de boeken uit de bibliotheek op de salontafel gelegd. Ik kijk ernaar, maar lees amper. Ik wil begrijpen, herkenning, tips. Ik wil duidelijke afgebakende kaders, een stappenplan van a tot z. Ik wil niet horen: “je blijft voor mij dezelfde” of “ik zie het niet bij jou, zo erg is het niet”. Ik wil lezen, ik wil horen: “Ik heb dit ook gevoeld. Je bent niet raar. Het is niet zwak.” Ik wil toestemming voor het verdriet, de kwaadheid en voor het mogen rouwen. Gevoelens passen niet in dozen, kunnen niet op kleur gesorteerd worden en laten zich niet labelen. En dat is voor mij het moeilijkste, stilzitten en voelen. Zonder het meteen te moeten begrijpen.  Zonder het meteen te kunnen oplossen.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven